Plattelandsontwikkelingsprogramma 2014-2020 (POP3)

Het plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) is het derde subsidieprogramma voor het ontwikkelen, verduurzamen en innoveren van de agrarische sector in Nederland. POP3 is een vervolg op POP2 en loopt van 2014 tot 2020. Nederland ontvangt van de Europese Commissie ten behoeve van de uitvoering van haar plattelandsontwikkelingsprogramma circa 607 mln. euro aan Europese subsidie uit het Europees Fonds voor de Plattelandsontwikkeling (ELFPO). Daarnaast zal de Nederlandse overheid (Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen) een eigen bijdrage aan het programma leveren van minimaal eenzelfde bedrag.

In samenwerking met de provincies, is onder leiding van het Ministerie van Economische Zaken het programma POP3 opgesteld. POP3 investeert in vijf thema’s: Versterken van innovatie, verduurzaming en concurrentiekracht; jonge boeren; natuur en landschap; verbetering van waterkwaliteit en LEADER (sociaal-economische ontwikkeling). De focus van het programma is gericht op innovatie en duurzaamheid in het landelijk gebied. Subsidie binnen de POP3-regeling is beschikbaar voor agrariërs, agrarische natuurverenigingen, onderzoeks- en kennisinstellingen, bedrijven in de agrifood-sector, natuurbeheersorganisaties en waterschappen.

Belangrijke verschillen met het oude programma (POP2) zijn:

  • de subsidieaanvragen zullen vaker bij de provincie in plaats van de Rijksoverheid ingediend moeten worden. Dit biedt kansen om projecten op lokaal niveau aan elkaar te koppelen. De provincies behouden het recht om per maatregel de openstelling te bepalen;
  • aanvragen worden niet langer geselecteerd op volgorde van binnenkomst maar op basis van duidelijke selectiecriteria. De selectiecriteria voor de verschillende tenders worden in de komende periode opgesteld;

Maatregelen POP3

De verordening plattelandsontwikkeling omvat de artikelen op basis waarvan lidstaten de gelden uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling kunnen inzetten. Binnen de verordening zijn verschillende maatregelen te onderscheiden die de provincies gebruiken als vertrekpunt voor hun openstellingen, waarbij een verbijzondering per provincie zal worden gegeven. Hierbij gaat het om vijf maatregelen en enkele submaatregelen die in het programmadocument van Nederland zijn opgenomen.

Kennisoverdracht en voorlichting

De maatregel inzake Kennisoverdracht en voorlichting is gericht op ondersteuning voor voorlichting en andere kennisoverdrachtacties. Doel is om te stimuleren dat al ontwikkelde (veelal technische) innovaties in de praktijk kunnen worden toegepast. Daarnaast moet de maatregel bijdragen aan kennisuitwisseling tussen onderzoek en praktijk. Enerzijds voor toepassing van nieuwe wetenschappelijke kennis in de praktijk en anderzijds voor onderzoek dat gestuurd wordt door vragen vanuit de praktijk.

De maatregel bestaat uit twee submaatregelen:

  • trainingen, workshops en coaching van ondernemers;
  • demonstratieactiviteiten.

Investeringen

De maatregel inzake investeringen en bijbehorende submaatregelen richten zich op versterking van de concurrentiekracht en duurzaamheid door te investeren in innovatie. Dit is de enige manier om de landbouw toekomstbestendig te maken.

De maatregel draagt direct bij aan het versterken van de levensvatbaarheid van landbouwbedrijven en het concurrentievermogen van alle landbouwtypen in alle regio's en het bevorderen van innovatieve landbouwtechnologieën. Zo wordt de directe link gelegd met duurzaamheid en innovatie door in te spelen op onderwerpen als milieu, klimaat, water, bodembeheer, energie, dier- en plantgezondheid en dierenwelzijn, biodiversiteit en landschap.

De maatregel bestaat uit vijf submaatregelen die door de provincies worden uitgevoerd:

  • fysieke investeringen nodig voor het ontwikkelen, beproeven en demonstreren van innovaties en voor de brede uitrol van innovaties;
  • fysieke investeringen in verduurzaming van agrarische ondernemingen van jonge landbouwers;
  • investeringen in infrastructuur;
  • niet-productieve investeringen voor biodiversiteit, natuur, landschap en hydrologische maatregelen PAS (Programmatische Aanpak Stikstof);
  • niet-productieve investeringen voor water.

Agromilieu- en klimaatsteun

De maatregel inzake agromilieu- en klimaatsteun is gericht op het stimuleren van het gebruik van landbouwproductiemethodes die een gunstig effect hebben op het milieu (inclusief water), het landschap en de kenmerken daarvan, de natuurlijke hulpbronnen, de bodem en de genetische diversiteit (biodiversiteit).

De maatregel wordt met name gericht op de instandhouding van biodiversiteit op landbouwgrond en de daar direct naastliggende grond. Met deze maatregel kunnen extra kosten en gederfde inkomsten, die voortvloeien uit de aangegane verbintenissen, worden vergoed. Het betreft daarbij verbintenissen die verder gaan dan toepasselijke dwingende wettelijke normen en eisen. Alleen verbintenissen die niet leiden tot dubbele financiering komen in aanmerking. Voor een correcte uitvoering van de door een groep van landbouwers en andere agrarische grondbeheerders aangegane verbintenissen, worden agrarische collectieven, met name via gebiedscoördinatoren, in de gelegenheid gesteld om via kennisdeling en opleiding de vereiste vaardigheden en kennis te verwerven.

Samenwerking voor innovatie

De maatregel inzake samenwerking richt zich op het ontwikkelen en valideren van praktische kennis en technologie met een groep van koplopers, die met name resulteert in technische innovatie, productinnovatie, procesinnovatie, organisatie-innovatie, innovatie in businessconcepten en/of uiteindelijk in systeeminnovatie met het oog op het praktijkrijp maken van kennis en innovatie binnen één of meerdere van de volgende thema’s:

  • verschuiving van de bestaande kostenreductiestrategie naar een meerwaardestrategie, met nieuwe markconcepten, nieuwe verdienmodellen of meerwaardecreatie;
  • beter beheer van productierisico’s, versterking van de positie van de primaire producent in de handelsketen of het verminderen van marktfalen;
  • maatregelen die leiden tot een geringer grondstoffengebruik en een gesloten kringloop, met als resultaat een vermindering van de emissie van milieubelastende stoffen naar bodem, lucht en grond- en oppervlaktewater en minder uitputting van hulpbronnen en grondstoffen;
  • klimaatmitigatie;
  • klimaatadaptie;
  • verbetering van dierenwelzijn of diergezondheid en verminderd risico voor de volksgezondheid bij de interactie tussen mens en dier;
  • behoud en versterking van de biodiversiteit en de omgevingskwaliteit.

Een samenwerking dient uit ten minste uit twee partijen te bestaan die van belang zijn voor het verwezenlijken van de doelstelling van de projectaanvraag en bevat ten minste één landbouwer of een organisatie die hun vertegenwoordigd. Voor de hoogte van de subsidie een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het wel of niet voortbrengen van landbouwproducten.

LEADER lokale ontwikkeling

De maatregel inzake LEADER-lokale ontwikkeling beoogt bij te dragen aan de plaatselijke ontwikkeling van plattelandsgebieden. LEADER-projecten komen ten goede aan de economische ontwikkeling en werkgelegenheid op het platteland, innovaties op agrarische bedrijven, de leefomgeving van de agrarische sector, en jonge boeren en hun gezinnen. Verder kan LEADER ondersteunen in krimpgebieden waar alle actoren de opgave hebben om samen te werken aan een sociaal en economisch vitaal platteland.

Wilt u meer informatie over de POP3 en de mogelijkheden voor uw onderneming? Wij helpen u graag verder.